Weertermen

A

absolute vochtigheid: Het volume waterdamp in een bepaalde hoeveelheid lucht.

ACM’s (algemene circulatiemodellen): Een computersimulatie die globale weerpatronen nabootst en gebruikt kan worden om onweers veranderingen te voorspellen.

aardkwadrant: Een kwart van de aardbol, met als snijpunten van de assen de nulmeridiaan en de evenaar aan onze kant van de aarde en de 180°-meridiaan en de evenaar aan de andere kant. Het aardkwadrant wordt ondermeer gebruikt bij plaatsbepaling van een waarnemingsstation op zee.

aardrotatie: Draaiing van de aarde om haar eigen denkbeeldige aardas. Per etmaal draait de aarde eenmaal van west naar oost om haar as. Door de rotatie ontstaat de afwisseling van dag en nacht. Eén omwenteling duurt 23 uur 56 min. en 4 sec.

ablatie: 1. Het natuurkundig proces (zoals sublimatie, smelten, verdamping) dat sneeuw en ijs van een gletsjer, een sneeuwveld… verwijdert. Tegenovergestelde van alimentatie. Ook de vermindering van de ijs- en sneeuwmassa door afkalven wordt hierin begrepen. De mate waarin ablatie optreedt, wordt vooral bepaald door de temperatuur van de lucht.

2. De hoeveelheid sneeuw of ijs die door ablatie wordt verwijderd. In deze betekenis het tegenovergestelde van accumulatie.

abrasie: Vorm van erosie door water, waarbij golfwerking merkbaar is tot op de bodem van een zee of een meer. Bij golfwerking maken de waterdeeltjes cirkelvormige bewegingen. De doorsnede van die cirkels wordt naar beneden toe steeds kleiner en in het geval van abrasie afgeremd door de bodem. Daardoor gaan de deeltjes op de bodem heen en weer bewegen en als een schaaf alle onregelmatigheden afvlakken. Wanneer de golfwerking vermindert, bv. doordat de storm gaat liggen, vormen de losse deeltjes een nieuw, horizontaal laagje, dat het soms onregelmatige oppervlak eronder geheel afdekt. Hoewel de abrasie de bodem erodeert, wordt naderhand weer (vrijwel) evenveel materiaal afgezet.

absolute temperatuur: De temperatuur volgens de temperatuurschaal van Kelvin. De schaaldelen zijn even groot als die volgens de schaal van Celsius, maar de schaal van Kelvin begint bij het absolute nulpunt. 0°C komt overeen met 273 Kelvin of 273 K.

absolute vochtigheid: Aantal grammen waterdamp dat zich op een bepaald ogenblik in 1 kubieke meter lucht bevindt.

absoluut nulpunt: De laagst mogelijke temperatuur. Bij deze temperatuur komt alle beweging van moleculen tot stilstand. Anders gezegd: het absolute nulpunt is de temperatuur waarbij de druk van een ideaal gas nul is. Het absolute nulpunt ligt op -273,15°C en is het beginpunt van de schaal van Kelvin.

absorptie: 1. De verhoging van de concentratie van een stof (=absorbaat) in een andere stof (=absorbens), bv. van lucht in oppervlaktewater.

2. Opname van straling door een materie waarop of waardoor die straling valt. De verhouding tussen stralingsintensiteit die wordt geabsorbeerd en de totale invallende straling heet absorptieverhouding of absorptiviteit. Een voorbeeld is de opname van zonnewarmpte in het aardoppervlak, waardoor het aardoppervlak wordt verwarmd.

accres: In de wolkenfysica is dit de groei van een neerslagdeeltje door een botsing tussen een bevroren deeltje (ijskristal of sneeuwvlok) en een onderkoelde waterdruppel waardoor het neerslagdeeltje bevriest. Accres is hetzelfde als coalescentie en een vorm van agglomeratie.

accumulatie: De hoeveelheid sneeuw of ijs die aan een gletsjer of sneeuwveld wordt toegevoed. Dit is het tegenovergestelde van ablatie.

actief front: Front waarbij heftige weersverschijnselen zijn waar te nemen: zware neerslag, soms ook onweer, en veel wind. Het tegenovergestelde is een zwak front.

adiabaat: Een grafische lijn in een thermodynamisch diagram volgens welke een adiabatisch proces verloopt.

adiabatisch proces: In de meteorologie is dit een proces waarbij aan bepaalde hoeveelheid lucht van buitenaf geen warmte wordt toegevoerd of onttrokken. Er vindt geen uitwisseling van warmte met de omgeving plaats. Een adiabatisch proces wordt door lucht ondergaan, wanneer deze verticale bewegingen doormaakt. In opstijgende lucht zal de luchtdruk afnemen en volumevermeerdering optreden (=adiabatische expansie). Door deze vergroting van het volume wordt arbeid verricht. Aangezien er geen warmteuitwisseling met de omgeving is, wordt deze arbeid opgebracht door de luchthoeveelheid zelf. De temperatuur van deze lucht zal daardoor gaan dalen (=adiabatische afkoeling).

Daartegenover zal bij dalende beweging van een hoeveelheid lucht de luchtdruk toenemen, het volume afnemen (=adiabatische compressie) en daardoor de temperatuur stijgen (=adiabatische verwarming). Bij adiabatische processen wordt onderscheid gemaakt tussen droog-adiabatisch proces en een verzadigd-adiabatisch proces.

advectie: Horizontaal transport van een hoeveelheid lucht of een luchtlaag. Met kouadvectie wordt de aanvoer van koude lucht bedoeld en met warmteadvectie de aanvoer van warme lucht.

advectief onweer: Onweer dat op een andere plaats is ontstaan en door de heersende hoogtewind wordt aangevoerd.

advectieve dauw: Vorm van dauw. Afzetsel van waterdruppels op voorwerpen waarvan het oppervlak voldoende koud is om rechtstreekse condensatie van waterdamp uit lucht te veroorzaken die met dit oppervlak in aanraking wordt gebracht. Bij advectieve dauw wordt de benodigde vochtige lucht van elders aangevoerd.

advectieve luchtlaag: Een stabiele luchtlaag waarin veranderingen in temperatuur, vocht en dergelijke op een bepaald punt het gevolg zijn van advectie en niet door turbulentie en convectie worden veroorzaakt.

advectieve rijp: Vorm van rijp. Een ijsafzetsel, in het algemeen kristallijn van vorm, dat zich vormt op voorwerpen waarvan het oppervlak voldoende koud is om de rechtstreekse sublimatie te veroorzaken van waterdamp uit de lucht die met dit oppervlak in aanraking wordt gebracht, in dit geval door advectie.

advectieve stralingsmist: Ook advectieve landmist. Stralingsmist die niet ter plaatse wordt gevormd, maar met de heersende wind van elders wordt aangevoerd.

aerodrome warning: Weersverwachting voor het terrein van een luchthaven bij verwacht gevaarlijk weer. Deze verwachtingen zijn van belang voor geparkeerde vliegtuigen, maar ook voor het verkeer op de grond. De verwachtingen worden verspreid in klare taal en kunnen elementen bevatten als hevige windstoten, sneeuwval, ijsafzetting of bevriezen van natte baangedeelten.

aërodroom: Ook aerodrome. Een luchthaven of luchtvaartterrein. Ten behoeve van de veiligheid van het luchtverkeer met betrekking tot de weersomstandigheden worden veel waarnemingen uitgevoerd en verwachtingen gemaakt.

aërologie: Deel van de meteorologie dat zich bezig houdt met de bestudering en verklaring van de bewegigen en natuurkundige processen in de bovenlucht.

aërlogoische kaart: Een weerkaart waarop gegevens afkomstig van aërologische waarnemingen in een groot gebied worden geplot. Voorbeelden van aërologische kaarten zijn de diktekaart en de hoogtekaart.

aërlogische waarnemingen: Ook bovenluchtwaarneming. Een waarneming van weerselementen met behulp van weerballonnen met radiosondes. In Nederland wordt slechts op 1 plaats een radiosonde opgelaten en wel in De Bilt. Aërologische waarnemingen worden 2 tot 4 keer per dag verricht en wel op de zogenoemde main hours. Tegenover de aërologische waarneming staat de oppervlaktewaarneming.

aërologisch station: Een waarnemingsstation waar naast de normale waarnemingen aan het aardoppervlak tevens aërologische waarnemingen worden verricht.

aërosol: De algemene benaming voor de zwevende deeltjes die in lucht te vinden zijn. Aërosolen komen zowel van nature voor (bv. als gevolg van zandstormen, bosbranden en vulkanisme) en door menselijke activiteiten (in de lucht gebracht door fabrieksschoorstenen en uitlaten van auto’s). Ze zijn van grote betekenis in de atmosfeer, waar ze ondermeer een belangrijke rol spelen bij de condensatie van waterdamp tot waterdruppels en de vorming van ijskristallen. Aërosolen treden dan op als condensatiekernen.

af en toe regen (of sneeuw): Termen die kunnen voorkomen in een weersverwachting. Het weerbeeld lijkt veel op een buiig weertype, met dit verschil dat een bui per se uit convectieve bewolking valt. Bij af en toe regen (of sneeuw) hoort een meer gelaagde bewolking. De regen (of sneeuw) valt niet onophoudelijk. Is dat wel het geval, dan wordt er gesproken van perioden met regen (of sneeuw) of eenvoudig regen (of sneeuw).

af en toe zon: Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Deze term vertegenwoordigt een zonneschijnpercentage van 10 tot 40%. Het bijbehorende weerbeeld is bewolking, waar tussendoor af en toe de zon doorbreekt? Er zijn dus geen echte perioden dat de zon uitbundig schijnt.

afgeplatte zon: Een nogal dikwijls voorkomend verschijnsel van sterke atmosferische straalbreking bij ondergaande zon. Deze gaat dan schijnbaar niet onder als een bol, maar als een min of meer afgeplatte schijf. Dit wordt veroorzaakt doordat de onderste begrenzing van de zon een sterkere breking ondergaat dan de bovenkant en dus meer wordt ‘opgetild’.

afghanez: Lokale wind in het noorden van Afghanistan. Het is een warme valwind vanuit het zuiden met duidelijke föhn-eigenschappen.

afkalven: 1. Door verzakking of verschuiving, afbrokkelen van hellingen, zoals bij gletsjers. Ook het afbrokkelen van de ijsmassa’s op de noord- en zuidpool, waardoor de ijsbergen in de oceanen terechtkomen, is afkalving. Oorzaken zijn vooral plotselinge temperatuurstijgingen en overmatige ijsaangroei, waardoor de ijsmassa’s aan de uiteinden afbreken.

2. Erosief proces (vooral door stromend water), waardoor een oever wordt ondermijnd, na verloop van tijd afbrokkelt en in de stroom terechtkomt. Dit proces komt vooral voor in de buitenbochten van rivieren en langs de kusten die blootstaan aan sterke golfwerking. Afkalving kan uiteindelijk leiden tot dijkval. Begroeiing kan de snelheid van afkalving sterk afremmen, doordat wortels de grond vasthouden.

afkortingen in luchtvaartverwachtingen:

LOC = locally                         = plaatselijk

LAN = inland                          = landinwaarts

COT = at the coast                 = aan de kust

MAR = at sea                          = op zee

VAL = in valleys                      = in dalen

CIT = near or over large towns = nabij of boven grote steden

MON= above mountains            = boven bergen

afnemende maan: schijngestalten van de maan.

ageostrofische wind: Tegenovergestelde van geostrofische wind. Een wind die niet evenwijdig aan de isobaren waait. Bij sterk gekromde isobaren is de wind bijna altijd ageostrofisch. De luchtdeeltjes kunnen als het ware de bocht niet bijhouden en vliegen uit hun baan. Ook bij een grotere invloed van de wrijving die de lucht aan het aardoppervlak ondervindt, wordt de wind ageostrofisch. Verder kan een verandering van het isobarenpatroon aanleiding geven tot ageostrofie.

agglomeratie: Proces in de wolkenfysica waarbij neerslagdeeltjes groeien door botsing met wolkendeeltjes of andere neerslagdeeltjes.

aggregatietoestand van water: Natuurkundige fase waarin het water in de atmosfeer zich bevindt. Er zijn drie mogelijkheden: het water in de atmosfeer kan gasvormig zijn (waterdamp), vloeibaar (wolken, regen, mist, dauw) of kan de vaste vorm (sneeuw, hagel, rijp) hebben. Overgangen van de ene naar de andere aggregatietoestand komen in de atmosfeer veelvuldig voor. De processen waarbij de aggregatietoestand verandert, worden onderscheiden in een exotherm proces en een endotherm proces.

AIREP: Meteorologische waarneming vanuit een vliegtuig. Vaak gegeven piloten informatie door over bv. de dikte van een laag mist of laaghangende bewolking.

airport elevation: De hoogteligging van een vliegveld, van belang voor de bepaling van QFE en QNH.

Aitken stofteller: Ook wel kernenteller genoemd. Instrument, ontworpen door John Aitken, waarmee het gehalte aan stofdeeltjes in de atmosfeer kan worden bepaald. In een vat, waarvan het volume instelbaar is, wordt een grote hoeveelheid lucht gemengd met een grotere hoeveelheid vochtige lucht. Door een plotselinge volumevergroting koelt de inhoud van het vat, het mengsel dus van het luchtmonster met de vochtige lucht, adiabatisch af tot beneden het dauwpunt. Er ontstaan dan kleine druppeltjes met de stofdeeltjes als condensatiekernen. Een deel van die druppeltjes zet zich af op een vlakke plaat in het instrument, die dan vervolgens met behulp van een microscoop worden geteld.

A-klimaat: Tropisch regenklimaat volgens de indeling van de klimatoloog Köppen. Het klimaat wordt gekenmerkt door grote warmte gedurende het hele jaar en overvloedige regenval. De gemiddelde jaartemperatuur ligt tussen 24° en 30°C, terwijl de gemiddelde temperatuur van de koudste maand niet beneden de 18°C komt. In het algemeen bedraagt de jaarsom van de neerslag meer dan 650 mm. Als de neerslag in de droogste maand ten minste 60 mm bedraagt, spreekt men van  een tropisch regenwoudklimaat (type Af). Een dreglijk gebied wordt gekenmerkt door oerwoudbegroeiing. Als er een duidelijk droge periode in de winter aanwezig is, spreekt men van een savanneklimaat (type Aw). De vegetatie bestaat dan uit een grasvlakte met boomgroepen. Het klimaattype As, met een droge periode in de zomer, komt vrijwel niet voor. A-klimaten vindt men in de zone rondom de evenaar (o.a. Amazone-gebied, Zaïre, Indonesië).

Alaska-stroming: Noordelijke afsplitsing van de Aleoeten-stroming. Deze oceaanstroming circuleert tegen de wijzers van de klok in in de Golf van Alaska. Een deel van het water trekt vervolgens tussen de eilanden van de Aleoeten door in de Beringzee, en duikt daaruit weer op als de Oyashio-stroming. Het overige deel voegt zich weer bij de Aleoeten-stroming. Het water dringt de Golf van Alaska binnen langs de Noord-Amerikaanse westkust. Omdat deze stroming vanuit het zuiden komt, heeft zij het karakter van een warme stroming. Daardoor oefent zij een invloed uit op de klimatologische omstandigheden die vergelijkbaar is, zij het op een wat kleinere schaal, met de invloed van de Golfstroom op de klimaten van het noordwesten van Europa.

albedo: Het deel van het op een lichaam vallende licht dat wordt teruggekaatst en dus niet wordt geabsorbeerd. De albedo wordt uitgedrukt in een getal tussen 0 en 1. Deze term wordt meestal gebruikt voor planeten, planetoïden en satellieten. De albedo van de aarde is 0,45. In de meteorologie is ook de albedo van bv. het poolijs en de aanwezige bevolking van groot belang. De teruggekaatste zonneënergie draagt niet bij aan de warmtehuishouding van de aarde. Met andere woorden: wanneer de oppervlakte van het poolijs kleiner wordt, wordt er minder zonnewarmte rechtstreeks de ruimte in teruggekaatst en zal de aardatmosfeer dus warmer worden.

Aleoeten-stroming: Zeestroming in de Grote Oceaan. De stroming beweegt zich in de oostelijke richting, ruwweg tussen 40° en 50° NB. Het is een noordelijke aftakking van de Koero Sjio-stroming. Bij nadering van de Noord-Amerikaanse kust splitst de stroming zich in de noordwaarts verder stromende Alaska-stroming en de naar het zuiden stromende Californië-stroming.

alfa-tijd: Andere naam voor de plaatselijke tijd. Deze aanduiding komt uit het internationale spelalfabet. Ook wel Greenwch Mean Time GMT, klokkentijd of Zoeloe-tijd genoemd.

alimantatie: Natuurkundig proces, waardoor de massa van een gletsjer of een sneeuwveld toeneemt. Tegenovergestelde van ablatie. De belangrijkste factor is aanzetting van sneeuw, maar ook van andere vormen van neerslag, mee ook sublimatie en het opnieuw bevriezen van smeltwater dragen bij.

almanak: Jaarboek waarin soms een weersvoorspelling wordt gegeven voor een heel jaar vooruit.

alpengloed: Naam voor de felle roodkleuring van gletsjers en sneeuwvelden. Het verschijnsel ontstaat doordat het steeds rode licht van de laagstaande zon wordt teruggekaatst door de sneeuw en hierbij nog verder wordt verstrooid en zo in intensiteit toeneemt. Dezelfde felrode gloed is overigens ook te zien als bewolking wordt verlicht door de laatste stralen van de ondergaande zon.

amplitude: In de meteorologie is dit de helft van het verschil tussen de hoogste en laagste waarde gedurende een bepaalde periode van bv. de temperatuur of de neerslag. Als men spreekt over de helft van het verschil tussen de hoogste (zomer-)temperatuur en de laagste (winter-)temperatuur.anafront: Het meest voorkomende front. Het anafront is doorgaans actief met de karakteristieke eigenschappen van een warmtefront of koufront. Het Griekse woord ‘ana’ staat voor opwaarts. De warme lucht wordt in alle gevallen opgetild. Het tegenovergestelde is het katafront.

analogenmethode: Statistische verwachtingsmethode ten behoeve van het opstellen van weersverwachtingen. Met behulp van computers wordt het meest waarschijnlijke weerbeeld berekend aan de hand van een vergelijking met een groot aantal eerdere overeenkomende weersituaties.

analyse: Na de waarneming, de communicatie en de processing (of verwerking) is de analyse de vierde stap in het maken van een weersverwachting. De resultaten van oppervlaktewaarnemingen en de aërologische waarnemingen zijn in deze fase gepresenteerd op diverse weerkaarten. De meteoroloog maakt nu analyses van de luchtdruk (isobarische analyse) op een aantal hoogten (niveaus), van thermische (warmte)patronen, wind, bewolking (fysische analyse), van stromingen in de bovenlucht (aërologische analyse)… Verder zoekt de meteoroloog naar lokaties, activiteit en verplaatsingen van weersystemen zoals hogedrukgebieden, lagedrukgebieden, fronten, ruggen, troggen en koude putten. Tegenwoordig speelt de computer bij de analyse een steeds grotere rol. De volgende stap is de prognose of de voorspelling.

anemometer: Instrument om de windsnelheid te meten. Er zijn vele typen anemometers, waarbij van verschillende meetprincipes gebruik wordt gemaakt. Sommige anemometers meten de windsnelheid niet rechtstreeks, doch via metingen van warmte namelijk de hittedraadanemometer, van druk namelijk de persluchtanemometer of van geluid namelijk de sonische anemometer. Andere maken gebruik van de druk die de wind  op een voorwerp uitoefent, zoals de drukbalanemometer, de drukbuisanemometer en de drukplaatanemometer. Weer andere modellen meten de omwentelingssnelheid (rotatiesnelheid) van een propeller of een set cups, de rotatie-anemometer. Voorbeelden van dit type zijn de propelleranemometer en de cup-anemometer. Voor meteorologische waarnemingen gebruikt men meestal een cupanemometer. Volgens internationale afspraken wordt de windsnelheid gemeten op 10 m boven het aardoppervlak, of naar deze hoogte herleid.

anemoscoop: Instrument voor het aanduiden van de windrichting. De bekenste en eenvoudigste is de windvaan (windhaan). In de meteorologie gebruikt men instrumenten waarmee de windrichting op een schaal kan worden afgelezen of continu op voortbewegende papierstrook wordt geregistreerd.

aneroïde barometer: Aneroïde is gelijk aan lucht. Type barometer waarbij gebruik wordt gemaakt van de elastische werking van dunne metalen membranen. Wordt zo’n membraan aan de randen vastgezet, dan zal deze worden vervormd, wanneer de druk aan beide kanten verschillend van grootte is. In de meeste gevallen wordt gebruik gemaakt van het princpe van de zogenaamde doos van Vidi. Een groot praktisch voordeel van de aneroïde barometers ten opzichte van de kwikbarometer is de handzaamheid. De afmetingen zijn veel kleiner. Daarom wordt dit type barometer in de scheepvaart verreweg het meest gebruikt. De bekendste aneroïde barometers zijn de aneroïde barometer volgens Fuess en de aneroïde barometer volgens Negretti en Zambra.

aneroïde barometer volgens Fuess: Een aneroïde barometer met analoge aflezing, waarvan het meetelement bestaat uit een aantal gekoppelde, boven op elkaar bevestigde, luchtledige platte dozen (=doos van Vidi) van berylliumkoper. De verandering van de luchtdruk wordt, door middel van een hefboomstelsel vergroot, door een hefboomstelsel vergroot, door een wijzer aangegeven. De schaal loopt van 920 tot 1080 hectoPascal en is onderverdeeld in eenheden van 1 hectoPascal, een eenheid die overeenkomt in getalswaarde met millibar (mbar).

aneroïde barometer volgens Negretti en Zambra: Precisie aneroïde barometer met digitale aanwijzing. Het instrument bestaat uit een pakket dozen van Vidi. Het verschil met de aneroïde barometer volgens Fuess is de vervormingen van de dozen van Vidi niet vergroot op een schaal worden weergegeven door een complex overbrengingsmechanisme. Met behulp van een stift wordt direct de indrukking van de Vidi-dozen via een stift en een hefboom overgebracht op de schaalverdeling. Deze barometer reageert daardoor soepel en is bovendien minder gevoelig voor onnauwkeurigheden door verlopen van het instrument.

anorganische vervuiling: Vervuiling van water, lucht en bodem door anorganische stoffen, dit zijn stoffen die van niet-levende organismen afkomstig zijn. Voorbeelden zijn de vervuiling met zware metalen, nitraten, fosfaten, sulfaten… Gasvormige anorganische verontreinigingen kunnen ontstaan door onder andere ammoniak, zwaveldioxide en stikstofoxiden. In de lucht komen ook vaste en vloeibare anorganische verontreinigingen voor, onder andere door vliegas, zwavelzuur in waterdruppels en loodzouten in uitlaatgassen. Het grote probleem bij anorganische verontreiniging is dat de stoffen niet direct of zeer moeilijk door de natuur zelf kunnen worden afgebroken. De grootste vervuilers op dit gebied zijn de industrie en de mijnbouw, die verantwoordelijk zijn voor de lozing van onder andere grote hoeveelheden koper, kwik, zink, chroom, lood, cadmium, cyaniden, zuren en keukenzout. De moderne landbouw en veeteelt zijn ook mee verantwoordelijk als ze mestoverschotten, kunstmest met kwik lozen.

anticyclonaal zadelgebied: Zadelgebied waarin de invloed van de aanliggende hogedrukgebieden het grootst is. Het weerbeeld is erg rustig en doorgaans ook vrij zonnig.

anticyclonale kromming: Afbuiging van de isobaren naar rechts, gezien in de richting van de wind (op het noordelijk halfrond). Een rug van hoge luchtdruk is een voorbeeld van een isobarenpatroon met anticyclonale kromming. De bijbehorende verticale luchtbewegingen komen overeen met de anticyclonale luchtbeweging.

anticyclonale luchtbeweging: Luchtstroming rondom een hogedrukgebied. Op het noordelijk halfrond stroomt de lucht, van bovenaf gezien, in de richting van de klok rond het hogedrukgebied. Op het zuidelijk halfrond stroomt de lucht precies andersom. In de onderste luchtlagen stroomt de lucht uit het hogedrukgebied weg (=divergente luchtbeweging). Deze wegstromende lucht wordt vervangen door lucht uit hogere luchtlagen, zodat in het hogedrukgebied een grootschalige dalende luchtbeweging aanwezig is. Deze dalende lucht wordt in een adiabatisch proces verwarmd, waardoor eventueel aanwezige bewolking kan oplossen.

antipassaat: Windsysteem in de bovenlucht, dat samenhangt met de passaatwinden. Vanuit de subtropische hogedrukgordels tussen ongeveer 25 en 30° NB en ZB stroomt langs het aardoppervlak de lucht naar de intertropische convergentiezone. Daar stijgt, mede onder invloed van de grotere zonnewarmte aldaar, de lucht op. Vervolgens stroomt de lucht weer in de richting van de polen: de antipassaat. In de subtropische hogedrukgordels daalt de lucht dan weer, zodat een circulatie ontstaat. Ten gevolge van de aardrotatie buigt de poolwaarts gerichte hoogtestroming op het noordelijk halfrond af naar rechts, dus oostwaarts, en in het zuiden naar links, eveneens oostwaarts. De antipassaat is daardoor ook ongeveer tegengesteld aan de overeenkomende passaatwinden.

arctische lucht: Maritiem arctische lucht (mAL) heeft zijn oorsprong boven de Noordelijke IJszee. Met uizondering van de zomer, kan deze luchtsoort onze omgeving het hele jaar bereiken. mAL volgt een lange weg over zee en stroomt onze omgeving binnen langs de Noorse kust. De lucht is tot op grote hoogte relatief koud en krijgt op haar weg naar het zuiden sterk de eigenschappen van koude massa. Het binnenvallen van mAL gaat vaak, vooral in het voorjaar, gepaard met harde tot stormachtige noordwestenwinden en een grote daling van de temperatuur. De typische voorjaarsbuien zijn meestal kenmerkend voor de aanwezigheid van mAL. Behalve in buien is het zicht zeer goed en de hemel diepblauw van kleur.

Continentaal arctische lucht (cAL) komt uit het noorden van Scandinavië. Evenals mAL, komt cAL in de zomermaanden in onze omgeving niet voor. In cAL kan de temperatuur gedurende de lange winternachten tot zeer lage waarden dalen. Door de lage vochtigheid komt er in het algemeen niet veel bewolking voor. Soms kan er echter door de voortdurende afkoeling stratus-bewolking ontstaan. cAL is altijd een koude massa. Het zicht is zeer goed.

arctische zeerook: Soort van mist die vooral voorkomt ten oosten van Labrador en Newfoundland, daar waar de koude lucht die tussen Groenland en Canada wordt aangevoerd over de koude Labrador-stroming, in aanraking komt met het warme water van één van de uitlopers van de zogenaamde warme Golfstroom. De arctische zeerook komt dikwijls voor bij flinke windsnelheden en kan gevaarlijk zijn voor de kleine scheepvaart.

arcus: Letterlijk boog. Bijkomende vorm van het wolkengeslacht cumulonimbus, soms voorkomend bij de cumulus. De arcus is een horizontale rolvormige wolk of boog, al dan niet in flarden, onder de cumulus of cumulonimbus en geeft de wolk een zeer donker en dreigend uiterlijk.

arifi: Lokale wind in Bar Debib aan de Algerijnse kust. De naam is afgeleid van het Berberse ‘aref’, hetgeen uitdrogen betekent. Het is een sirocco-achtige zuidenwind, die hete continentaal tropische lucht (cTL) vanuit de Sahara aanvoert. De wind wordt ook wel chom genoemd.

astronomische klimaatfactoren: Het klimaat op een bepaalde plaats wordt bepaald door een aantal klimaatfactoren. Maar bij overzichten van verschillende klimaten op aarde over zeer lange perioden spelen ook astronomische factoren een rol. Geringe wijzigingen van de stand van de aardas ten opzichte van de zon of wijzigingen van de baan van de aarde om de zon kunnen de klimaatverdeling over de aarde in hoge mate veranderen. De helderheid van de zon, in het bijzonder de af en toe op het zonne-oppervlak waarneembare zonnevlekken hebben een meer directe invloed op het klimaat. Zo is er een verband aangetoond tussen de variabiliteit in de dikten van jaarringen in bomen en het optreden van maxima in het aantal zonnevlekken. De periode tussen opeenvolgende zonnevlekkenmaxima bedraagt gemiddeld 11 jaar.

atlas: Aantal land-, zee- of hemelkaarten samengebundeld in boekvorm.

B

badland: Engelse benaming voor gebieden met sterke regenerosie. Het proces is het sterkst bij zachte gesteenten in onbegroeid gebied. Het regenwater schuurt geultjes uit. Die geultjes komen samen en worden groter. Op den duur ontstaat een dicht geulstelsel waarin al het vruchtbare bodemmateriaal wordt weggespoeld.

bandbliksem: Op een band of lint lijkende bliksem. Het verschijnsel wordt veroorzaakt doordat het kanaal waardoor de ontlading plaatsvindt zich, waarschijnlijk onder invloed van de wind, horizontaal verplaatst. De deelontladingen gaan door allen door hetzelfde kanaal. Duurt het nu maar lang genoeg voordat de gehele ontlading is voltooid, dan kan op een foto zo’n bliksem als een lint of band te zien zijn. Er is een groot aantal ontladingen nodig om een bandbliksem te laten ontstaan. Men heeft een bandbliksem waargenomen die 20 seconden duurde.

banenkaart: Weerkaart waarop door een meteoroloog, de door de kern van een bepaald weersysteem gevolgde route, is aangegeven. Voorbeelden daarvan zijn de kernen van lagedrukgebieden, hogedrukgebieden, daalgebieden en stijggebieden. De meteoroloog kan op deze wijze ook schattingen maken van toekomstige verplaatsingen. Tegenwoordig gebruikt de meteoroloog hiervoor de computer.

barat: Buiige en soms hevige schade brengende wind, die waait over de Celebeszee tot aan de noordoostkust van het eiland Sulawesi (Celebes). De barat komt het meeste voor van december tot februari. Het is een plaatsgebonden en dus lokale wind, maar heeft geen specifieke eigenschappen.

barber: Lokale wind in Canada. Het is een hevige blizzard. De naam betekent barbier, ofwel kapper. Dat heeft alles te maken met de harde sneeuwkristallen die in die stormwinden met zeer koude continentaal polaire lucht (cPL) op huid erg pijnlijk aan kunnen komen.

barograaf: Zelfregistrerende barometer. Doordat de luchtdruk continu op een papieren strook wordt geregistreerd, zijn de luchtdrukveranderingen goed waar te nemen.

barogram: De continue registratie van een barograaf. Met name het karakter van de luchtdrukverandering is erg belangrijk. De grootte van de luchtdrukverandering wordt telkens over een periode van drie uur bepaald en vermeld in de weerrapporten.

barokliene atmosfeer: Ontwikkelende onstabiliteit ten gevolge van temperatuurverschillen in de atmosfeer boven een groot gebied. Voorbeelden daarvan zijn de slechtweergebieden bij een front op de grens dus tussen twee luchtsoorten. Tegenover een barokliene atmosfeer staat een barotrope atmosfeer.

barometer: Instrument om de luchtdruk te meten. De meest gebruikte typen zijn de kwikbarometer, de aneroïde barometer en hypsometer. De plaats van een barometer op een meteorologisch waarnemingsstation dient met zorg te worden gekozen. De meting moet tot stand komen in ongestoorde lucht, dus in principe niet in een ruimte met een klimaatregeling (airconditioning). Bovendien moet bij vrijwel constante temperatuur worden gemeten. De barometer moet, tenslotte, trillingsvrij zijn opgehangen.

barometercorrecties: Om de barometeraflezingen op de verschillende plaatsen, met ook verschillende omstandigheden, te kunnen vergelijken dienen, volgens internationale afspraak, op de aflezing van een kwikbarometer diverse correcties te worden toegepast in een vaste volgorde. Eerst gebeurt er een indexcorrectie, waarmee onvolkomenheden van het instrument zelf worden gecompenseerd. Verder gebeurt er een temperatuurcorrectie. De lengte van een kolom kwik hangt immers mee af van de temperatuur van dat kwik. Vervolgens wordt een hoogtecorrectie toegepast. De stand van de barometer wordt herleid tot de waarde die zou worden afgelezen indien het instrument zich op gemiddeld zeeniveau zou bevinden.

barotrope atmosfeer: Een luchtmassa waarin weinig temperatuurverschillen voorkomen. In een barotrope atmosfeer komen in het algemeen storingen moeilijk of niet tot verdere ontwikkeling. De barotrope atmosfeer staat tegenover de barokliene atmosfeer.

Beaufort, schaal van: Schaalverdeling, oorspronkelijk ontworpen door Beaufort en later door anderen aangepast, waarmee de gemiddelde windsnelheid kan worden aangegeven. De gemiddelde windsnelheid betreft een zogenaamd ’10 minuten gemiddelde’, gemeten op een hoogte van 10 meter boven open terrein. Windvlagen of windstoten blijven met nadruk buiten beschouwing. De schaal bestaat uit de windkrachten, oplopend van 0 tot 12, de benaming van die windkrachten, windsnelheidsequivalenten en beschrijving van de uitwerking op zee en boven land.

BECMG: Afkorting van het Engelse becoming (=wordend). Dit wordt vooral gebruikt in de TAF en de TREND. BECMG betekent dat er zich in een aangegeven periode naar verwachting een bepaalde verandering in weersgesteldheid zal voltrekken.

Becquerel: Eenheid van radioactiviteit die met een activiteit van precies 1 kernmutatie overeenkomt. Deze eenheid vervangt de curie.

bedekkingsgraad: Dit is het gedeelte van de hemelkoepel dat met wolken is bedekt. In de meteorologie wordt de bedekkingsgraad opgegeven in achtsten (=octa’s). De soorte of het geslacht van de bewolking wordt bepaald aan de hand van de Internationale wolkenatlas van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO). De bedekkingsgraad heeft met name invloed op de temperatuur. Als er sprake is van een wolkenloze nacht, is de uitstraling (van warmte) relatief groot. Het gevolg is dat de temperatuur dan sterker daalt dan in een situatie waarin de bedekkingsgraad hoger is.

belat: Lokale wind in Saoedi-Arabië. Het is een noordwestelijke sirocco-achtige landwind, die vanuit de woestijnen erg warme continentaal tropische lucht (cTL) aanvoert. De belat manifesteert zich met name aan de zuidwestkust van het schiereiland en waait in de periode van december tot maart.

bemaling: Het op kunstmatige wijze afvoeren van overtollige neerslag in laaggelegen gebieden. Aanvankelijk volstond natuurlijke lozing met behulp van duikers, riolen en uitwateringssluizen. Door bodemdaling en zeespiegelstijging moest men in de kustgebieden van Nederland omstreeks het jaar 1000 mechanische hulpmiddelen gaan gebruiken. In de 15de eeuw ontstond zo de windwatermolen. In de 18de eeuw werd deze gevolgd door het eerste Nederlandse stoomgemaal. In die tijd was men al met succes bezig plassen droog te leggen met de zogenaamde droogmakerijen. Tegenwoordig zijn de stoomgemalen op hun beurt vervangen door dieselgemalen en elektrische gemalen.

benauwd weer: Dit wordt ook wel drukkend weer genoemd. In volksmond wordt ook wel eens ‘laf’ gezegd. Beschrijvende term voor een bepaald weerbeeld, dat samenhangt met de aanwezigheid van warme lucht met een zeer hoge relatieve vochtigheid. Van de huid van het menselijk lichaam kan dan weinig vocht verdampen, waardoor een benauwd gevoel ontstaat. Dit weerbeeld is typisch in de zomer vlak voor een onweer.

Bengalen-cycloon: Tropische cycloon, die woedt in de Golf van Bengalen ten zuidoosten van India. Deze wervelstorm ontstaat in het zuidwestelijk gedeelte van de Golf van Bengalen en trekt vervolgens doorgaans in de richting van de klok langs de kusten van India en Birma, vooral in de maanden juni tot en met november.

beregenen: Techniek die in fruitteelt wordt toegepast om bij strenge vorst grote schade aan de fruitbomen te voorkomen. Wanneer er in het voorjaar strenge vorst wordt verwacht, bestaat het gevaar dat de jonge vrucht kapot vriest. De fruitteler sproeit er dan wat water over de bomen. Dat water bevriest wel, maar omdat dat beregenen continu plaatsvindt, wordt de vrucht op de temperatuur van smeltend ijs gehouden: 0°C. Dit levert vaak de sprookjesachtige taferelen op van lange ijspegels die aan de bomen hangen.

berg: Lokale wind in Zuid-Afrika. Het is een hete, droge en stofbeladen, sirocco-achtige wind. De berg waait gewoonlijk in zuidelijke richting vanuit de binnenlanden van Zuid-Afrika en kan dagenlange perioden met zeer hoge temperaturen brengen helemaal tot aan de Zuid-Afrikaanse kustgebieden.

bergklimaat: Klimaat dat sterk beïnvloed wordt door de hoogteligging. Met de toename van de hoogte daalt de gemiddelde temperatuur elke 300 m cicra 2°C, wordt het verschil tussen ‘in de schaduw’ en ‘in de zon’ groter en neemt de neerslag toe. Op grote hoogte blijft ook in de zomer de temperatuur onder 0°C. Naarmate men hoger komt, neemt de windactiviteit toe. Deze omstandigheden maken dat de vegetatie naar boven toe minder wordt en daar door de erosie sterker. Zo wordt vaak een kaal gesteente zichtbaar (zonder bodemlaag) dat eventueel is afgedekt door een laag sneeuw of ijs. De weersgesteldheden zijn uitzonderlijk: veelvuldig zijn er heftige onweersbuien, terwijl valwinden het weer in de lagere delen op slag kunnen doen veranderen.

bergstation: Waarnemingsstation in de bergen. Vanwege de grotere hoogte waarop het station is gebouwd ten opzichte van zeeniveau, zijn er wel eens problemen ten aanzien van de herleiding van de luchtdruk. Ook zijn er soms, doordat nu eenmaal in het bergland het weerbeeld van dal tot dal sterk uiteen kan lopen, grote verschillen in de door naburige bergstations gerapporteerde weersomstandigheden.

bergwind: Tegenovergestelde van de dalwind. Beide winden zijn, net als de land- en zeewind, lokale winden die optreden ten gevolge van de dagelijkse gang van de temperatuur. De bergwind is een koude wind en waait tijdens de avond en nacht vanaf de bergen naar het dal. Hij ontstaat in het algemeen tijdens heldere nachten met weinig wind. Na zonsondergang koelt de lucht tegen de berghellingen sterker af dan de lucht op gelijke hoogten boven het dal. De koudere lucht heeft een grotere dichtheid en op die manier ontstaat er een koude luchtstroming vanaf de berghellingen naar het dal. De bergwind wordt vaak in de tweede deel van de nacht nog versterkt, doordat in de loop van de nacht de lucht in het dal verder afkoelt. Het temperatuurverschil met de lager gelegen, en dus ook warmere uitgang van het dal wordt hierdoor groter. Er ontstaat een klein relatief hogedrukgebied boven het koude dal en een klein relatief lagedrukgebied boven de warmere daluitgang. Op die manier komt er een extra luchtstroming op gang van het hoge- naar het lagedrukgebied, dus vanuit het dal naar de daluitgang, met als gevolg een windtoename.

bestendige wind: Vrij zwakke wind van gelijkmatige sterkte die continu voelbaar is. Het tegenovergestelde hiervan is een vlagerige wind of buiige wind.

bestendig weer: Rustig weertype dat gedurende een lange periode weinig van beeld verandert. Doorgaans is daar sprake van in de nabijheid van een groot en krachtig hogedrukgebied.

bevriezen: Natuurkundig proces waarbij water overgaat van de vloeibare naar de vaste fase. Voorbeelden zijn het bevriezen van een plas water en het bevriezen van mistdruppels tegen de bladeren van een plant (=rijp). Het bevriezen is een exotherm proces. Bij een ander materiaal dan water heet dit proces ‘stollen’.

bewolking: Bedekkingsgraad van de hemel met wolken. In de meteorologische rapporten wordt deze doorgaans in octa’s (achsten) aangegeven. In de luchtvaartberichtgeving gaat dat anders.

feu =     1 en 2 octa’s bewolking.

sat =      scattered = 3 en 4 octa’s bewolking.

brkn =    broken =5, 6, 7 octa’s bewolking.

ovc =     overcast geheel bewolkt.

Achter deze code is een getal vermeld en dat is de hoogte van de betreffende wolkenbasis in honderden voet. De soort bewolking wordt hier niet vermeld.

Bft: Afkorting van Beaufort. Hiermee wordt de windkracht aangegeven volgens de schaal van Beaufort.

bijmaan: Optisch verschijnsel bij heldere maan, vergelijkbaar met de bijzon.

bijzon: Halo-verschijnsel dat hoofdzakelijk te zien is aan de halo van 22° (kleine kring). Bijzonnen zijn zeer heldere, gekleurde vlekken op zonshoogte, op ongeveer 22° aan weerszijden van de zon. Bij de halo van 46° (de grote kring) worden maar heel zelden bijzonnen gezien. Aan de kleine kring worden echter vaak bijzonnen waargenomen. De kleurvolgorde is gelijk aan die van de kleine kring. Het rood is naar de zon gekeerd, met daaraan naar buiten toe aansluitend geel, groen en blauw. Evenals bij de kleine kring zelf, is het blauw niet duidelijk en het violet helemaal niet meer te herkennen.

bimetaalthermometer: Deformatiethermometer waarbij het temperatuurgevoelige element bestaat uit een stuk bimetaal. Dit is een, meestal gebogen, strook van twee op elkaar bevestigende strippen van metalen met een verschillende uitzettingscoëfficient. Bij verandering van temperatuur verandert de strook van vorm, doordat het ene metaal anders op de temperatuurverandering reageert dan het andere. De strook buigt meer of strekt zich juist. Op een achter het uiteinde van de strook gemonteerde schaalverdeling is vervolgens de heersende temperatuur af te lezen.

binnenzee: Zoutwatergebied dat geheel of vrijwel geheel omsloten is door land. Door de beschermende ligging heeft een binnenzee meestal een typische flora en fauna. De stroming van het water in binnenzeeën wordt bepaald door windrichting, eb- en vloedbeweging en door dichtheidsverschillen die ontstaan door verschil in temperatuur of zoutgehalte.

bioklimatologie: Tak van de klimatologie die het verband tussen levensvoorwaarden en klimaten en dus ook de invloed van bepaalde klimatologische verschijnselen op mensen, dieren en planten onderzoekt. Bijvoorbeeld de vraag of de gemiddelde mens op een grijze en druilerige dag een slechter humeur heeft dan op een stralende zomerdag.

biologische windschaal: Beschrijving van de uitwerking van de verschillende windkrachten op de schaal van Beaufort op de levende natuur.

bioom: Grote ecosystemen van planten en dieren die zijn aangepast aan een speciaal klimaat en een speciale bodemgesteldheid.

biosfeer: Het dunne buitenste laagje van de aardbol en het gedeelte van de lucht daarboven waarin zich het leven afspeelt. Binnen de biosfeer bestaat een evenwicht tussen opbouw en verbruik van organische stoffen, de basis van alle leven. Alle organismen hebben een eigen functie bij het handhaven van het biologisch evenwicht. De mens is het enige organisme dat zozeer ingrijpt dat het evenwicht ernstig en onherstelbaar verstoord dreigt te worden.

bise: Lokale wind in Frankrijk en Zwitserland. Het is een koude valwind, meestal uit het noorden tot noordoosten, soms ook uit het noordwesten. De bise komt vrijwel overal in het oostelijke deel van Frankrijk en het zuidwesten van Zwitserland voor, maar vooral tussen de Jura en de Alpen.

bise brune: Lokale wind in Frankrijk. Noordwestelijke bise aan de Rhône in de Drôme-vallei.

bise nègre: Lokale wind in Frankrijk. Noordoostelijke bise die voorkomt aan de zuidwestkant van het Centraal Massief.

bise noire: Lokale wind in Frankrijk en Zwitserland. Bise uit het noorden tot noordoosten in het kanton Genève, in de zuidelijke Jura en de Morvan. De naam heeft deze wind te danken aan het feit dat hij doorgaans gepaard gaat met een donkere wolkenlucht.

B-klimaat: Droog klimaat volgens de indeling van de klimatoloog Köppen. De vegetatie bestaat vrijwel altijd uit cacteeën. De vochtbalans is in dit klimaat duidelijk negatief. Er valt minder neerslag dan er onder de heersende omstandigheden zou verdampen. Volgens Köppen heerst een woestijnklimaat als de neerslag r (in cm) minder is dan de temperatuur T (in graden Celsius) waarbij een constante waarde C is opgeteld (r<T+C). Er is sprake van een steppeklimaat als geldt dat r<2(T+C). De constante C is naar gelang de neerslag in de winter, zomer of over het hele jaar verdeeld valt, respectievelijk 0, 14 en 7. Door voor de constante verschillende waarden te nemen, benadrukte Köppen het belang van de verdamping. In de zomer is door grotere warmte de verdamping sterker dan in de winter. Bij een gelijke hoeveelheid neerslag zal er eerder een woestijn ontstaan wanneer de neerslag in de zomer valt, dan wanneer de neerslag in de winter valt. Vandaar ook, dat Köppen aan het steppeklimaat de code Bs gaf en aan het woestijnklimaat Bw, waarbij de s en de w aangeven dat de droge periode in de zomer respectievelijk de winter valt. Droge klimaten bevinden zich in gebieden waar dalende luchtbewegingen overheersen. Deze gebieden staan onder invloed van de sub-tropische hogedrukgebieden, rond de 30° NB en ZB (o.a. Sahara, Saoedi-Arabië, Centraal-Azië, Zuid-Afrika en Australië). Daarnaast vindt men droge streken in gebieden die in de regenschaduw van bergketens liggen (o.a. delen van Argentinië).

bliksem: Het is een elektrische ontlading (vonk) tussen een elektrisch geladen wolk en de aarde, tussen twee of meer wolken met tegengestelde elektrische lading of zelfs tussen delen binnen één enkele wolk. De atoomsterkte van een bliksem varieert van 100 tot in de orde van 100.000 ampère bij een duur van één tienduizendste seconde tot 1 seconde. De spanning kan in een fltis oplopen tot 100 miljoen volt. De bliksem gaat doorgaans gepaard met donder.

bliksemafleiding: Installatie aan bijvoorbeeld een huis, een gebouw of een kerktoren. In tegenstelling tot wat veel wordt gedacht, voorkomt de bliksemafleider niet dat de bliksem inslaat. De bliksembeveiligingsinstallatie zorgt er slechts voor dat bij een blikseminslag de elektriciteit naar de aarde wordt gevoerd zonder schade te veroorzaken. Een dergelijke installatie kan in een gebouw inwendig en uitwendig worden aangebracht, maar bestaat doorgaans uit een constructie van goed geleidende metalen die een eenvoudige kooi van Faraday vormen.

blikseminslag: Het inslaan van de bliksem. In principe is het niet zo, dat de bliksem altijd op het hoogste punt inslaat. De bliksem zoekt altijd de gemakkelijkste weg door de atmosfeer. Deze weg wordt vooral bepaald door de verspreiding van de elektrische lading in de lucht. Pas in de onderste 100 m wordt bepaald op welke plaats de bliksem in zal slaan. In veel gevallen zal dat inderdaad een hoog punt, zoals een schoorsteen, of een punt van goed geleidend materiaal zijn. Metalen zijn natuurlijk goed geleidende materialen. Maar dat geldt ook voor het menselijk lichaam. Daardoor loopt een mens in een weiland evenveel kans door de bliksem te worden getroffen als een metalen paal in de buurt die ongeveer dezelfde grootte heeft. In de hele wereld zijn op elk moment zo’n 1800 onweders actief, die bij elkaar zorgen voor maar liefst tussen 8 en 9 miljoen inslagen per dag. In feite zijn er twee soorten bliksem. De eerste is een felle, zeer korte stroomstoot van minder dan één duizendste seconde met een stroomsterkte van 5.000 tot 200.000 ampère. Door de zeer hoge temperatuur kan in de onmiddellijke nabijheid van de straal een luchtdruk ontstaan van 100 maal de atmosferische druk. Deze bliksem veroorzaakt explosieve schade, stukken uit schoorstenen… maar zelden brandschade. De andere is een stroomstoot die veel langer duurt, enkele tienden van seconden, en die een veel lagere sterkte heeft van zo’n 100 tot 300 ampère. Bij licht ontvlambare materialen, zoals rieten daken, veroorzaakt hij vaak brand. Deze laatste bliksem wordt ook wel ‘warme bliksem’ genoemd.

broeikaseffect: Algemene opwarming van de temperatuur op aarde veroorzaakt door bepaalde gassen in de atmosfeer. Deze ‘broeikasgassen’ maken het mogelijk dat zonlicht direct in contact komt met het aardoppervlak, waar het geabsorbeerd wordt en teruggestraald wordt als hitte. Deze gassen absorberen dan de teruggestraalde warmte en reflecteren die terug naar het aardoppervlak.

C

CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen): Gassen die vrijkomen uit industriële processen. CFK’s kunnen in de hoogste regionen van de atmosfeer terechtkomen waar ze de ozonlaag afbreken.

cirruswolk: Een witte, uit fijne ‘draden’ bestaande wolk die bestaat uit ijskristallen en in de hoogste regionen van de atmosfeer voorkomt.

coalescentie: De samensmelting van kleine waterdruppels in een wolk om grotere waterdruppels te vormen die uiteindelijk als regendruppels de aarde zullen bereiken.

condensatie: De vorming van vloeibaar water uit waterdamp. Condensatie ontstaat wanneer vochtige lucht zijn dauwpunt bereikt en in contact komt met een vast oppervlak of met condensatiekernen.

condensatiekernen: Minuscule deeltjes die in de lucht zweven, zoals kristalletjes zeezout en stofdeeltjes uit de natuur of door luchtvervuiling, waarop waterdamp op grote hoogte kan condenseren.

convectie: Het opstijgen van een luchtmassa als gevolg van opwarming door land of zee. Wanneer de lucht opstijgt, kan er condensatie optreden en kunnen er wolken worden gevormd.

Coriolis-effect: De neiging van een vrij bewegend object om een kromme baan te volgen ten opzicht van de aardrotatie (met de wijzers van de klok mee op het noorderlijk halfrond; tegen de wijzers op het zuidelijk halfrond). Weersystemen bewegen volgens dit effect.

cumuliforme wolk: Een wolk gevormd door convectie die aan de onderkant vlak lijkt met ronde uitstulpingen aan de top. Het is de kenmerkende vorm van cumulus-, altocumulus- en stratocumuluswolken.

cumulonimbuswolk: Een cumuliforme wolk, de grootste in de atmosfeer, die vaak ook onweer produceert. Wanneer de top van deze wolk bekroond wordt met een cirruswolk lijkt ze op een gigantisch aambeeld.

cyclonale beweging: De vorming van een lagedruksysteem in de onderste lagen van de atmosfeer, waardoor cyclonen gevormd worden.

cycloon: Een roterende (ronddraaiende) luchtmassa waarbij de luchtdruk naar het centrum toe afneemt. Op het noorderlijk halfrond waaien deze winden tegen de wijzers van de klok in; op het zuidelijk halfrond waaien ze met de wijzers mee.

D

dauwpunt: Lucht moet bij ongewijzigde luchtdruk tot dit temperatuurniveau worden afgkoeld om deze te verzadigen, met condensatie als gevolg.

depositie: Neerslaan van gassen en aërosolen uit de lucht op het aardoppervlak. Ook het neerslaan van radioactieve deeltjes uit de lucht wordt depositie genoemd. Wanneer het neerslaan bij droog weer gebeurt, heet dat droge depositie. Tijdens neerslag wordt het natte depositie genoemd.

depressie: Lagedrukgebied.

diffractie: De buiging van licht langs de rand van een voorwerp veroorzaakt gekleurde ringen die kransen worden genoemd.

doctor: Lokale wind in Australië. Het is een typische zeewind, die aan de in zuidoosten gelegen kusten van West-Australië waait.

dramwinden: Lokale wind in het zuiden van Frankrijk. Het is een koude noordwestenwind, die langs de Pyreneeën bij Perpignan waait met mistralkenmerken.

drizzle: Engels woord voor motregen.

E

El Niño: Een warme equatoriale zeestroming die zuidwaarts stroomt naar het noordwesten van Zuid-Amerika. Bij een sterke en constante stroming kan dit veranderingen in het neerslag- en temparatuurpatroon teweegbrengen in bepaalde gebieden.

F

frontsystemen: De wisselwerking tussen luchtmassa’s van verschillende temperatuur en vochtigheidsgraad, die het weer ‘veroorzaakt’.

G

gemiddelde breedten: Deze regio’s liggen tussen de noordpoolcirkel en de kreeftskeerkring enerzijds (= het grootste deel van Noord-Amerika en Europa) en tussen de zuidpoolcirkel en de steenbokskeerkring anderzijds. Deze gebieden kennen in de meeste gevallen gematigde klimaten.

geostationaire satelliet: Een satelliet die zich altijd boven hetzelfde punt op de evenaar van de aarde bevindt. Veel van deze satellieten worden voor waarnemingen van het weer gebruikt. De satelliet lijkt stationair in de lucht te hangen op een hoogte 35.900 km, omdat de omloopsnelheid gelijk is aan de rotatiesnelheid van de aarde.

H

Hadleycel: De cirkelvormige luchtstromingen ten noorden en ten zuiden van de evenaar. Warme lucht stijgt bij de evenaar op, stroomt op grote hoogte weg, daalt bij de keerkringen en stroomt langs de grond weer naar de evenaar terug.

hogedruksystemen: Een gebied met hoge luchtdruk dat op het noorderlijk halfrond met de wijzers van de klok mee draait en in het zuiden (onder de evenaar) tegen de wijzers in.

I

infrarode straling: Straling die warmte vervoert. Infrarode straling kan in mist en wolken doordringen en wordt vaak gebruikt om satellietfoto’s te maken.

isobaar: Een lijn op een weerkaart die verschillende punten met gelijke luchtdruk met elkaar verbindt. Hiermee kunnen zowel hoge- als lagedruksystemen worden afgebakend. Wanneer isobaren dicht tegen elkaar aanliggen, duidt dit op krachtige winden in een bepaald gebied.

K

koolstofdioxyde: Een gas dat in kleine hoeveelheden in de atmosfeer wordt aangetroffen. Het heeft geen kleur of geur. Een teveel aan koolstofdioxide veroorzaakt de opwarming van de aardbol.

koudefront: De buitenste rand van een aankomende massa koude lucht. Wanneer dit front een massa minder dichte warme lucht ontmoet, veroorzaakt dit onstabiliteit, dikwijls met zware regen als gevolg. Op een weerkaart wordt een koudefront voorgesteld als een lijn met driehoekjes aan één zijde.

L

lage breedten: Die regio’s die het dichtst bij de evenaar liggen (ten zuiden van de kreeftskeerkring en ten noorden van de steenbokskeerkring) waar de zon bijna loodrecht aan de hemel staat en de daarmee gepaard gaande hitte zeer intens is. Deze gebieden kenmerken warme tot hete klimaten.

lagedruksystemen: Een weersysteem waarbij de luchtdruk daalt naar het centrum toe. Dit systeem ontstaat meestal wanneer een warme luchtmassa opgestuwd wordt door koude lucht. Dergelijke systemen gaan vaak gepaard met wisselvallig weer.

latente warmte: Warmte die geadsorbeerd (opgenomen) wordt of vrijkomt wanneer watermoleculen van toestand veranderen. Latente warmte wordt opgenomen (zodat de omgevingafkoelt) wanneer watermoleculen veranderen van ijs in water, van water in waterdamp of van ijs in waterdamp. Latente warmte komt vrij (zodat de omgeveving opwarmt) wanneer watermoleculen veranderen van waterdamp in water, van water in ijs en van waterdamp in ijs.

lichtbreking: De verandering van richting van een lichtstraal wanneer het onder een bepaalde hoek passeert van een massa in een andere massa met verschillende dichtheid. Lichtbreking leidt ertoe dat een lichtstraal zich opdeelt in de verschillende kleuren waaruit ze bestaat.

luchtdruk: Ook atmosferische druk of barometerdruk genoemd. Het gewicht van de atmosfeer op een deel van het aardoppervlak. Veranderingen in het weerpatroon gaan vaak gepaard met luchtdrukveranderingen. De luchtdruk wordt uitgedrukt in milibar of hectopascal.

M

microklimaat: Een locale variatie binnen het normale klimaat van een bepaald gebied, met verschillen in temperatuur en vochtigheidsgraad, die veroorzaakt worden door de topografie, de vegetatie of de nabijheid van water of stedelijke gebieden.

N

neerslag: Vocht in de vorm van waterdruppels of ijskristallen die groot en zwaar genoeg zijn om vanuit wolken naar de aarde te vallen.

neerwaartse stroming: Luchtstroom veroorzaakt door de daling van een afkoelende luchtkolom. Dit kan sterke winden en zware regen tot gevolg hebben.

O

occlusiefronten: Het samengaan van twee frontsystemen, gewoonlijk wanneer een koudefront wordt ingehaald door een warmtefront. Een occlusiefront wordt vaak geassocieerd met een lagedruksysteem.

onderkoelde druppels: Waterdruppels die afgekoeld zijn tot onder het vriespunt, maar zich nog altijd in vloeibare toestand bevinden.

onstabiliteit: Een toestand waarbij de temperatuur van een opstijgende luchtstroom altijd warmer is dan de omringende lucht. Gevolg is dat die luchtstroom blijft stijgen, soms zelfs tot in de tropopauze.

opwaartse stroming: Elke beweging van de lucht van het aardoppervlak weg. De sterkste vorm ervan komt voor tijdens onweer.

opwarming van de aarde: Een algemene stijging van de temperatuur van de aardatmosfeer.

orkaan: De term wordt gebruikt in Noord-Amerika en in de Caraïben voor een zeer krachtige lagedrukcel uit de tropen waarin windsnelheden van 118 km per uur kunnen bereikt worden. Een orkaan kan op grote schaal windschade en overstromingen veroorzaken

ozon: Een gas dat het grootste deel van de schadelijke ultraviolette stralen van het zonlicht absorbeert en warmteverlies van de aarde tegengaat. Het komt voor in een dunne laag in de stratosfeer en is een belangrijk onderdeel van de fotochemische smog.

 

P

Q

R

relatieve vochtigheid: De hoeveelheid vochtigheid in de lucht bij een bepaalde temperatuur vergeleken met de maximale vochtigheid die deze luchtmassa kan bevatten bij dezelfde temperatuur, uitgedrukt in percentages.

S

stabiliteit: De toestand waarbij een warme luchtmassa afkoelt tot de temperatuur van de omringende lucht en dus ophoudt met stijgen.

stormvloed: Een muur van zeewater die naar boven getrokken wordt door de lage druk onder een orkaan. Wanneer de orkaan de kust bereikt kan ze enorme golven en serieuze schade veroorzaken

straalstroom: Stromen van snel bewegende lucht in de bovenste lagen van de troposfeer. Op gemiddelde breedten zijn straalstromen het sterkst in de winter.

stratiforme wolken: Een wolk met een vlak, gelaagd uiterlijk. Het is de kenmerkende vorm van stratus-, stratocumulus- en altocumuluswolken.

stratosfeer: De laag van de atmosfeer die zich uitstrekt vanaf de tropopauze (op ongeveer 10 km hoogte) tot aan de stratopauze (op ongeveer 50 km hoogte), net beneden de mesosfeer. Hier bevindt zich ook de ozonlaag.

sublimatie: De verandering van waterdamp in ijs of omgekeerd, zonder het vloeibare stadium te passeren.

synoptische weersverwachting: Weersvoorspelling gebaseerd op de analyse van weerkaarten waarin gelijktijdige gegevens uit waarnemingen vanop het aardopppervlak zijn verwerkt, die een zo groot mogelijk gebied bestrijken.

T

temperatuursinversie: Een atmosferische toestand waarbij een laag warme lucht over koude lucht aan de oppervlakte heenschuift. Dit heeft een verticale vermenging van de luchtlagen tot gevolg en leidt vaak tot smog in stedelijke gebieden.

tropische cycloon: De naam die gegeven wordt aan een orkaan in Australië en landen rond de Indische oceaan.

tropopauze: Een laag van de atmosfeer die begint op 10 kilometer hoogte en het overgangsgebied vormt tussen de troposfeer en de stratosfeer. De temperatuur houdt er op met dalen naarmate de hoogte vordert.

troposfeer: Een laag van de atmosfeer die begint bij het aardoppervlak en 10 kilometer hoger eindigt.

tyfoon: De naam die aan een orkaan gegeven wordt in het noordwestelijk deel van de Grote Oceaan en in China.

U

Uberre: Lokale wind in Zwitserland aan het Meer van Neuchâtel. Het is een warme valwind met duidelijke föhneigenschappen.

Uitloper: Secundair hogedrukgebied. Het is een uitstulping die vastzit aan een groot hogedrukgebeid en bovendien alle kenmerken heeft van een hogedrukgebied.

ultraviolette straling: Onzichtbare stralen die in zonlicht voorkomen. Ultraviolette straling heeft een golflengte die iets korter is dan die van violet licht. Ze zorgt ervoor dat onze huid bruin wordt.

Unterwind: Lokale wind in Oostenrijk. Het is een bergwind in Sakkammergat nabij Salzburg. De tegenovergestelde dalwind is Oberwind.

V

verdamping: Het proces waarbij een vloeistof ( bv water) verandert in een gas (bv waterdamp).

verzadiging: Het punt waarop een luchtmassa de waterdamp niet meer kan vasthouden bij de temperatuur van dat moment. Met andere woorden: wanneer de relatieve vochtigheid 100% bedraagt. Wanneer dit punt bereikt wordt, condenseert het vocht meestal tot waterdruppels. Hoe warmer de luchtmassa, des te meer waterdamp ze kan bevatten.

W

warmtefront: De buitenste rand van een aankomende massa warme lucht. Wanneer deze een stationaire massa koude lucht ontmoet, stijgt de warme lucht op, waardoor deze afkoelt. Condensatie kan hierop volgen, waardoor wolken kunnen ontstaan en neerslag kan gevormd worden. Een warmtefront wordt op een weerkaart voorgesteld als een lijn met halve bollen langs één zijde.

windschering: Beweging veroorzaakt doordat een laag lucht over een andere heen schuift, die zich met een andere snelheid en of in een andere richting voortbeweegt.

X

Y

Z

zure regen: Regen die zuur is door de erin opgeloste zwaveldioxide en andere vervuiling.

Zonkracht: Zonkracht of uv-index is een maat voor de hoeveelheid ultraviolette straling (uv) in het zonlicht die de aarde bereikt.